Terschelling informatie

De Nederlandse Waddeneilanden zijn al meer dan 100 jaar geliefd als vakantiebestemming, zowel bij de Nederlanders zelf als bij de inwoners van onze buurlanden. Van de vijf (bewoonde) Waddeneilanden is Terschelling, na Texel, het op één na grootste. Waarom juist dit eiland zo populair is bij de toeristen blijkt wel uit deze pagina.

 

Om te beginnen is Terschelling gezegend met het langste strand van alle Waddeneilanden. Aan de noordzijde van het eiland ligt maar liefst dertig kilometer prachtig wit zandstrand op de toeristen te wachten, op sommige plaatsen meer dan een kilometer breed. En aan de zuidzijde ligt de Waddenzee, een van de belangrijkste natuurgebieden van noordwest Europa. Door de langgerekte vorm van Terschelling ben je nergens op het eiland meer dan een half uurtje lopen van de zee verwijderd.

 Terschelling heeft een aangenamer klimaat dan de rest van Nederland. De winters zijn er milder en de zomers koeler. Het hele jaar door schijnt de zon er tweemaal zoveel als op het vasteland. Ook regent het er veel minder. Verder is het eiland is een paradijs voor natuurliefhebbers en voor rustzoekers. Toch is er ook genoeg vertier op Terschelling om het tot een populaire vakantiebestemming voor jongeren te maken. En de liefhebbers van kunst en cultuur komen aan hun trekken tijdens het unieke jaarlijkse Oerol festival, waarover verderop meer.

 Het is dikwijls oneerlijk verdeeld in de wereld. Veel plaatsen hebben helemaal niets om zich op te laten voorstaan. Terschelling daarentegen is wel heel erg rijk bedeeld :)

Van zandplaat tot vakantie eiland

Over de geologische geschiedenis van Terschelling kunnen we tamelijk kort zijn. Die verschilt namelijk niet wezenlijk van die van de andere Waddeneilanden. Het hele gebied is gevormd in het oud-Holoceen, de periode van 20.000 tot 5.000 jaar voor het begin van onze jaartelling. Er was toen overigens nog helemaal geen sprake van eilanden, maar van moerassig laagland in de delta van de Rijn. Een noordelijke zijarm van deze rivier stroomde juist ten westen van het huidige Terschelling uit in de Noordzee.

 Doordat zeestromingen veel zand aanvoerden begonnen zich langs de lage kusten brede zandstranden te vormen. Vervolgens waaide de wind het zand op tot stuifduinen en naarmate deze begroeid raakten met grassen ontstond de duinenrij die zo karakteristiek is voor de Nederlandse Noordzeekust, een strandwal die het achterliggend land beschermde tegen de zee. 

Die strandwal had echter zwakke plekken. Op verschillende plaatsen, daar waar rivieren in zee uitstroomden, was zij onderbroken. Bij zware stormen in combinatie met hoge waterstanden stroomde het zeewater door deze gaten landinwaarts en overstroomde grote gebieden achter de strandwal. Maar zolang daar weinig of geen mensen woonden was de schade minimaal. De eerste bewoners die zich hier vestigden, tegen het eind van de negende eeuw, bouwden hun nederzettingen op terpen om zich te beschermen tegen de regelmatige overstromingen.

Eind dertiende eeuw was de situatie ontstaan dat het gebied achter de strandwal, dat we nu kennen als de Waddenzee, min of meer permanent overstroomd was. Dat was, naast een algehele stijging van de zeespiegel, mede het gevolg van enkele zeer zware stormen, die ook de Zuiderzee deden ontstaan en de Friese Middelzee, een zeearm die reikte helemaal tot waar nu de Friese hoofdstad Leeuwarden ligt. De vroegere strandwal was daardoor een snoer van eilanden geworden, dat zich uitstrekte van Den Helder in Noord-Holland tot aan Esbjerg in Denemarken.

We mogen aannemen dat er toen al mensen op de strandwal woonden, want de eerste geschriften waarin sprake is van nederzettingen op Terschelling dateren uit de dertiende eeuw. Aanvankelijk leefden die bewoners vooral van de visserij, maar al vrij snel werd ook de handel een belangrijke bron van inkomsten. Terschelling was strategisch gelegen aan de vaarroute van en naar Zuiderzeehavens als Kampen, Harderwijk, Enkhuizen, Hoorn en natuurlijk Amsterdam, die zich vanaf de vijftiende eeuw begonnen te ontwikkelen tot belangrijke handelscentra. Daar kwam nog bij dat zich bij West-Terschelling een mooie beschutte baai had gevormd – de enige natuurlijke baai in Nederland – die ideaal was voor de overslag van goederen op kleinere schepen om verder landinwaarts te worden vervoerd. 

Veel Terschellingers verdienden hun brood op zee, als visser, in de koopvaardij of in het loodswezen. Vanaf de zestiende eeuw gingen steeds meer bewoners zich toeleggen op de walvisvangst in de noordelijke wateren, die uitgroeide tot een belangrijke bron van inkomsten. Een van hen was de beroemdste inwoner van Terschelling, de zeevaarder Willem Barentsz, die in 1596 op weg ging om ten noorden van Rusland een doorvaart naar Indië te vinden. Zijn schip kwam echter vast te zitten in het arctische ijs en hij was gedwongen met zijn bemanning de poolwinter door te brengen op het eiland Nova Zembla. Hij zou de expeditie niet overleven want hij stierf tijdens de terugreis in 1597 aan de gevolgen van uitputting.

In de negentiende eeuw namen de zaken een ongunstige wending voor Terschelling. De handel met de Zuiderzeehavens nam sterk af en het eiland verarmde. Meer Terschellingers gingen zich noodgedwongen toeleggen op de landbouw, in de polders aan de zuidkant van het eiland die in de loop der jaren stukje bij beetje op de Waddenzee werden veroverd. Tot grootschalige landbouw is het echter nooit gekomen. Daarvoor was de ruimte te beperkt.

Begin twintigste eeuw kreeg Terschelling een regelmatige bootverbinding met Harlingen op het Friese vasteland. Daarna kon het toerisme zich ontwikkelen tot de belangrijkste bron van inkomsten voor het eiland. Vandaag de dag heeft Terschelling een totale capaciteit van 20.000 bedden in hotels, appartementen, bungalowparken en kampeerterreinen. In het toeristenseizoen groeit de eilandbevolking tot het vijfvoudige van normaal! Gelukkig is Terschelling groot genoeg om dit aantal met gemak aan te kunnen en zijn er, zelfs in het hoogseizoen, nog genoeg rustige plekken te vinden.

Speelbal van de machtigen

De strategische ligging van Terschelling aan de vaarweg naar de belangrijke havensteden in het Zuiderzeegebied en de beschutte haven maakten het eiland al snel tot een speelbal van de grote mogendheden. Aanvankelijk was het een deel van Friesland; de eerste bewoners waren Friezen die het eiland de naam Schylge of Skylge gaven. Hoewel het eiland formeel tot het eigendom van Friese edelen behoorde bemoeiden dezen zich er nauwelijks mee en gingen de bewoners zo’n beetje hun eigen gang, alsof het een onafhankelijk ministaatje was. 

Maar aan het eind van de veertiende eeuw lieten de graven van het concurrerende Holland hun begerige ogen op Terschelling vallen. Daarop volgden twee eeuwen van regelmatig terugkerende strijd, plundering en brandschatting, tot uiteindelijk in 1615 het eiland definitief in handen van Holland kwam.

 Daarmee was de ellende nog niet afgelopen. In 1666, tijdens de Tweede Engelse Zeeoorlog, kreeg Terschelling te maken met een inval door de Engelsen, die plunderend en brandschattend over het eiland trokken en waarbij heel West-Terschelling, met uitzondering van de vuurtoren Brandaris, in de as werd gelegd. Deze inval leidde tot de legendarische Hollandse strafexpeditie naar Chatham in 1667, waarbij admiraal Michiel de Ruyter de Theems opvoer en de Engelse vloot in haar thuishaven grotendeels vernietigde.

Terschelling bleef Hollands tot 1806, toen de Bataafse Republiek instortte en Nederland werd ingelijfd door het Napoleontische rijk. Het werd een koninkrijk onder koning Lodewijk Napoleon, de broer van Bonaparte, die besloot het eiland om praktische redenen bij de provincie Friesland in te delen. Een maatregel die in 1814, na de val van Napoleon, alweer ongedaan werd gemaakt. Het Voorlopig Bestuur dat na het vertrek van de Fransen werd gevormd kende Terschelling weer toe aan de provincie Noord-Holland. 

Het was een andere bezetter, nazi-Duitsland, die in 1942 Terschelling weer bij de provincie Friesland indeelde, en zo is het tot op heden gebleven. En eerlijk is eerlijk, dat is ook wel het meest praktisch. Het eiland ligt immers veel dichter bij Friesland dan bij Noord-Holland en je kunt er alleen via Harlingen, op Fries grondgebied dus, komen. Maar de strijd tussen Holland en Friesland heeft zijn sporen nagelaten. Tot op de dag van vandaag worden er op Terschelling drie verschillende dialecten gesproken. Het dialect van het oosten van het eiland is sterk verwant aan het Fries, terwijl dat van het westen meer lijkt op het Noord-Hollandse Westfries.

Een weekje op Terschelling

Een reis naar Terschelling begint doorgaans in Harlingen. Het is mogelijk om lopend te komen, echter is dit niet aan te raden is als je geen geoefend wadloper bent. Aangezien het een zeer zware en niet ongevaarlijke tocht is. Alles werkt mee om je het gevoel te geven dat je een echte zeereis gaat maken. Allereerst de haven van Harlingen. Dat is een groot en bedrijvig havencomplex midden in het drukke stadje, waar op en rond het water voortdurend van alles gebeurt. Een heel verschil met bijvoorbeeld het vertrekpunt van de veerdienst naar buureiland Ameland, dat weinig meer om het lijf heeft dan een aanlegplaats aan de veerdam, een paar kilometer buiten het dorpje Holwerd in Noord-Friesland. Hier in Harlingen voel je je in een echt havenstadje met een lange geschiedenis.

Naast de veerdienst naar Terschelling vertrekt ook die naar buureiland Vlieland vanuit Harlingen en dat geeft, vooral in het zomerseizoen, extra drukte en bedrijvigheid. Naar Terschelling varen verschillende veerdiensten zoals de EVT, Rederij Doeksen en de Seahunter. De overtocht duurt 45 min tot twee uur afhankelijk van welke boot je neemt. De lange reistijd komt niet zozeer door de afstand, maar door het feit dat de veerboot de grillig verlopende vaargeulen over de ondiepe Waddenzee moet aanhouden. Hij vaart daardoor een zigzagkoers, waarbij je het eiland Terschelling het ene moment aan stuurboord en dan weer aan bakboord kunt zien liggen. Onderweg kom je langs het onbewoonde vogeleiland Griend, waar je vaak zeehonden kunt zien liggen zonnen op het zand.

Wat bij aankomst in West-Terschelling meteen opvalt is de vuurtoren Brandaris, die het dorpje domineert en met zijn opvallende vierkante vorm gezichtsbepalend voor het eiland is geworden. De huidige toren is de derde op Terschelling, die werd vernoemd naar Sint Brandaan. Deze onverschrokken Ierse monnik bevoer al in de zesde eeuw de Atlantische Oceaan en staat bekend als de beschermer van de zeevaarders.

 De eerste toren werd in de veertiende eeuw gebouwd als baken om de vaarroute naar Amsterdam, tussen de eilanden Vlieland en Terschelling door, te markeren. Dat was nodig omdat de Waddeneilanden vanaf de Noordzee gezien nogal veel op elkaar leken zodat een vergissing gauw gemaakt was. Deze toren diende alleen als visueel oriëntatiepunt en er brandde geen vuur op; het was dus strikt genomen geen vuurtoren.

Die eerste Brandaris werd het slachtoffer van kustafslag, waardoor hij zodanig beschadigd werd dat hij in januari 1593 instortte. Direct werd besloten verder landinwaarts een nieuwe toren te bouwen, maar deze stortte al tijdens de bouw in, waarschijnlijk door gebruik van slechte materialen. De derde toren werd op dezelfde plaats gebouwd en werd in het najaar van 1594 voltooid. Dat is de Brandaris die er vandaag de dag nog staat en die daarmee de oudste  en tevens de bekendste vuurtoren van Nederland is.

De Brandaris fungeerde als echte vuurtoren tot het midden van de achttiende eeuw, maar niet echt tot volle tevredenheid. De kaarslamp waarmee hij was uitgerust gaf veel te weinig licht. Zijn functie werd overgenomen door een vuurbaak op een naburig duin, omdat men het niet erg praktisch vond om bovenop de toren een kolenvuur brandende te houden. Maar in 1835 kreeg de Brandaris weer verlichting en werd hij, als eerste vuurtoren in Nederland, uitgerust met een draaiende Fresnel lens. In 1907 kreeg de toren elektrische verlichting, waarvoor Philips een speciale lamp, de ‘Brandarislamp’ ontwikkelde.

Tegenwoordig is de Brandaris uitgerust met radar om de scheepvaart op de Noordzee en de Waddenzee in de gaten te houden. De Nederlandse Kustwacht heeft hier een waarnemingspost die 24 uur per dag bemand is en er is een weerstation van het KNMI op de toren gevestigd. Door al deze activiteiten is de markante toren helaas niet toegankelijk voor het publiek. Tenzij je gaat trouwen, want de gemeente Terschelling heeft de eerste verdieping van de Brandaris aangewezen als officiële trouwlocatie.

West-Terschelling

West-Terschelling is de grootste plaats van het eiland en ook de echte ‘hoofdplaats’, waar sinds 1814 het gemeentebestuur zetelt. Hier vind je het Maritiem Instituut Willem Barentsz, de zeevaartschool die ruim 125 jaar geleden op Terschelling gevestigd werd, en het cultuurhistorisch museum ‘t Behouden Huys, vernoemd naar het huis dat Willem Barentsz op Nova Zembla bouwde om de poolwinter in door te brengen. Verder biedt West, zoals het hier kortweg genoemd wordt, een ruime keuze aan winkels, cafés, restaurants en dancings, waardoor het een levendige plaats is met veel vertier voor jong en oud.

Midsland

De tweede plaats qua grootte is Midsland dat, zoals al uit de naam blijkt, ongeveer in het midden van het eiland ligt. Wel een stuk kleiner en rustiger dan West, maar met een gezellige dorpsstraat waar het ‘s zomers op de terrassen van de talrijke cafés en restaurants goed toeven is. Vóór de zetel van het eilandbestuur in 1814 naar West-Terschelling werd verplaatst was Midsland de hoofdplaats van het eiland en de woonplaats van de drost. Op 29 december 1612 passeerde de Acte van Scheiding, waarbij Terschelling werd opgesplitst in twee verschillende gemeenten West-Terschelling en Oost-Terschelling. Midsland fungeerde vanaf dat jaar als bestuurscentrum van Oost-Terschelling. Een drost bestuurde vanuit het Drosthuis het oostelijke deel van het eiland. Pas na de Franse bezetting veranderde dit. Terschelling werd weer een gemeente, maar het bestuurscentrum werd verplaatst naar West-Terschelling.

Er liggen vooral weilanden om Midsland heen. De laagten ten zuiden en ten noorden van het dorp zijn overblijfselen van oude slenkenpatronen uit de tijd dat Terschelling nog niet bedijkt was. Ten noorden van Midsland liggen de zomerhuis-nederzettingen Midsland-Noord en Midsland aan Zee. Het dorp Seerijp (Striep) behoort formeel tot het dorpsgebied van Midsland. Je kunt vanuit Midsland het licht van de Brandaris zien.

Hoorn

Hoorn ligt ten oosten van Lies en ten westen van Oosterend. Het is een langgerekt dorp met van oorsprong verspreide bebouwing van boerderijen en woningen. Dankzij de bouw van enkele nieuwbouwwijkjes is Hoorn vanaf het midden van de jaren zeventig groter geworden. Eén van de oudste gebouwen van het dorp is de strandvonderijschuur, nog vrijwel in oorspronkelijke staat. Vroeger werden hier de gejutte spullen opgeslagen, tegenwoordig is het een opslagplaats voor alle verenigingen op Oost-Terschelling. Karakteristiek is middeleeuwse kerk. Het is de oudste kerk van Terschelling. Bij de kerk staat de Sjouw, een bal die gehesen werd om aan het werkvolk in de wijde omtrek de tijd voor de middagpauze aan te geven.
Hoorn is van oorsprong een agrarisch dorp waar veehouderij de voornaamste bron van inkomsten was.

Formerum

Formerum gold in de Middeleeuwen als het grootste en belangrijkste dorp van oost Terschelling. Het dorp wordt in middeleeuwse documenten vaak aangeduid als Viveporten, Vijfpoort. De naam schijnt vooral te wijzen op een klooster dat hier ooit heeft gestaan. Formerum is gebouwd op een oude strandwal die in de vroege Middeleeuwen is ontstaan. Ten zuiden van Formerum strekt zich de Formerumerpolder uit, een onderdeel van de polder van Terschelling. De polder bestaat uit gras- en weilanden, waarvan sommige nog interessante slenkenpatronen hebben die dateren van voor de aanleg van de waddendijk. De polder is rijk aan broedvogels, o.a Kievit, Grutto, Tureluur, Scholekster, Gele kwikstaart en Veldleeuwerik. In de Formerumerpolder ligt de Formerumer eendenkooi, een kooi in particuliere handen, waarin niet meer actief gevangen wordt. Ten noorden van Formerum ligt het Formerumerbos, een gemengd bos aangeplant in de duinen door het Staatsbosbeheer tussen 1920 en 1930. Het duingebied ten noorden en oosten van het Formerumerbos is het natuurreservaat de Koegelwieck.

Oosterend

Oosterend is het meest oostelijke dorp op Terschelling en ligt het dichtst bij natuurgebied de Boschplaat. Op Terschelling wordt Oosterend wel, mede door de afgelegen ligging, Egypte genoemd. In Oosterend is een kleine melkfabriek en een melkerij van Friese melkschapen. Er zijn twee restaurants, enige campings en terreinen met recreatiewoningen en twee kampeerboerderijen. Er zijn 6 veehouders in Oosterend.

Ten oosten van Oosterend ligt het buitendijkse cultuurland, de Grië. Delen van de graslandpercelen zijn omringd door elzensingels. Andere graslanden worden echter incidenteel door zeewater overspoeld en hebben een zoutminnende vegetatie. Op de Grië liggen vier eendenkooien, de Takkenkooi, de Jan Willemskooi, de Horrekooi en de Rimkeskooi. De Takkenkooi is aangelegd in de zeventiende eeuw, de overige drie in de negentiende eeuw. De vier kooien zijn apart bedijkt, om schade door zeewater te voorkomen. In de kooien werd vroeger vooral Smient, pijlstaart en Wintertaling gevangen. Tegenwoordig is alleen de Rimkeskooi nog in bedrijf. Op de Grië staat ook de Wierschuur, een schuur waarin vroeger het op de waddenzee gemaaide Groot zeegras werd gedroogd. Dit zeegras werd gebruikt als vulling van kussens en matrassen.

De Boschplaat

Aan de oostkant van Terschelling ligt de Boschplaat. Kilometers lang zijn grote groepen vogels of misschien een zeehond het enige dat je tegenkomt. Het uitgestrekte kweldergebied langs de Waddenzee, met vele trek- en broedvogels en in de zomer paarse vlaktes met lamsoor.
De Boschplaat is een bijzonder gebied dat ook erkend wordt door de Raad van Europa. Die heeft in 2010 de titel van Europees Natuurreservaat toegekend aan dit unieke stuk natuur. Het gebied kenmerkt zich door de grote variatie in landschapstypen zoals duinen, kwelders en strand. Ook is hier het grootste natuurlijke bos van de Waddeneilanden ontstaan: de Berkenvallei. Dat er naast veel bijzondere plantensoorten ook veel vogels voorkomen, is dan ook niet verwonderlijk.

Oerol

Elk jaar, halverwege de maand juni, zijn al deze plaatsen en plaatsjes het decor voor de kunstmanifestatie Oerol, een uniek festival dat zijn gelijke in Nederland niet kent. Rondom een thema dat nauw verbonden is met Terschelling vinden gedurende de tien dagen dat het festival duurt overal op het eiland honderden kunstuitingen plaats op het gebied van muziek, zang, dans, straattheater, beeldende kunst en landschapskunst, vaak met een experimenteel karakter. Het festival is vooral de laatste jaren enorm in populariteit toegenomen en wordt door tienduizenden mensen bezocht, waarmee de grenzen van wat het eiland kan verwerken bereikt lijken te zijn. Al met al is de sfeer tijdens Oerol, met al die mensen die zich over het algemeen per fiets van het ene evenement naar het andere begeven, heel speciaal.

Zon, zee en strand

De meeste bezoekers komen toch vooral naar Terschelling om te genieten van zon, zee en strand. Omdat de aanvoercapaciteit van de veerdienst beperkt is wordt het nooit echt vol op het eiland en op de brede stranden heb je dan ook altijd een overvloed aan ruimte. Vooral op de meest westelijke punt van het eiland, de Noordvaarder genaamd, is het strand enorm breed en kun je jezelf in de woestijn wanen. Dit was ooit een aparte zandplaat, die halverwege de negentiende eeuw door verzanding van een stroomgeul aan het eiland is vastgegroeid. Iets soortgelijks gebeurde er aan de oostkant, waar een aantal losse zandplaten samengroeiden tot het huidige natuurgebied de Boschplaat. Door deze veranderingen is Terschelling in de afgelopen anderhalve eeuw bijna tweemaal zo lang geworden.

Het wad

Zoals op alle Waddeneilanden vind je aan de zuidkant van Terschelling geen stranden maar in plaats daarvan een stoere dijk, die de scheiding vormt tussen het wad en de polder. Bij Oosterend houdt de dijk op; ga je nog verder naar het oosten dan kom je op de uitgestrekte kwelders van het natuurgebied Boschplaat terecht.

 Het verschil tussen wad, kwelder en polder is dat het wad bij iedere vloed, dus tweemaal per etmaal, helemaal onder water staat, terwijl de kwelder door aanslibbing al zover is opgehoogd dat hij alleen bij zeer hoge waterstanden (gemiddeld eens per tien jaar) nog overspoeld wordt. Daardoor kunnen op de kwelder zoutbestendige planten zoals zeekraal, lamsoor, zoutmelde, zeeaster en zeealsem gaan groeien. Een polder is een kwelder waar een dijk omheen is gebouwd zodat het zoute zeewater er geen invloed meer op heeft en de grond voor de landbouw kan worden gebruikt. 

Eeuwenlang hebben de bewoners van deze kuststreken hun gebied uitgebreid door kwelders in te dijken en de polders in gebruik te nemen voor de landbouw. Ook bouwden ze golfbrekers van rijshout in zee om de aanslibbing en de vorming van nieuwe kwelders te bevorderen. Nog slechts een halve eeuw gelden was de verwachting dat op deze manier uiteindelijk vrijwel de hele Waddenzee ingepolderd zou worden. Gelukkig heeft men op tijd de onschatbare waarde van het waddengebied ingezien en is deze ontwikkeling gestopt. Er worden nu geen kwelders meer ingedijkt en landaanwinning vindt nog slechts op beperkte schaal plaats, met als enig doel om bestaande kwelders te beschermen tegen afslag.

De reis

Maar of je nu voor een kort bezoek naar Terschelling komt of voor langere tijd, als je hier niet woont komt eens het moment dat je weer moet vertrekken, terug naar het vasteland. De aankomst van de veerboot, vol met mensen die hun verblijf op het eiland nog voor de boeg hebben, veroorzaakt een licht gevoel van afgunst en ook een beetje weemoed. Bleek zijn ze nog, die nieuwkomers, in tegenstelling tot de zonverbrande koppen van de mensen die vertrekken. Want dat is zeker een feit: in welk seizoen je Terschelling ook bezoekt, een paar dagen op het eiland is voldoende om je huid een paar tinten donkerder te kleuren.

Binnen een kwartier nadat de veerboot is leeggestroomd heeft ze al de vertrekkers alweer opgeslokt: voetgangers met rugzakken, fietsers, motorfietsen, auto’s met caravans, vrachtwagens en de treintjes met de bagagewagentjes. Mensen hangen over de reling in afwachting van het vertrek. Sommigen worden uitgezwaaid door mensen beneden op de kade die nog wat langer mogen blijven. Velen van hen weten nu al dat ze hier terug zullen komen.

Gelukkig is de reis naar Terschelling niet meer zo’n avontuur als 500 jaar geleden. In 1507, zo lees ik ergens, vertrok ene Jacob van Zevenbergen op 8 februari van dat jaar uit ‘s-Hertogenbosch naar Terschelling. Wat hij daar ging doen vermeldt het verhaal niet. Hij reisde via Geertruidenberg, Schoonhoven, Gouda en Alphen aan de Rijn naar Haarlem en vandaar naar Amsterdam. Daar moest hij enige tijd wachten op aansluitend vervoer naar Enkhuizen, vanwaar een boot naar Terschelling vertrok. Vanwege stormweer kon die twee dagen lang niet uitvaren, zodat Jacob uiteindelijk op 21 februari op Terschelling aankwam. Een reis van bijna twee weken!

Zo lang duurt het tegenwoordig gelukkig niet meer. Dezelfde reis maak je vandaag de dag (met het openbaar vervoer) in krap vijf uur. Per auto nog een uurtje korter.